De ondernemingsraad is zodanig tijdig om advies gevraagd dat het advies nog van wezenlijke invloed op het besluit kon zijn.
De ondernemingsraad van Philips Lighting in Weert heeft zich tot de Ondernemingskamer gewend om het besluit tot sluiting van de vestiging in 2007 te blokkeren. De bestuurder heeft ondanks het negatieve advies van de ondernemingsraad besloten per 1 juli 2007 tot sluiting over te gaan. De ondernemingsraad verwijt de bestuurder dat hij zonder geldige reden afwijkt van het vanaf 2003 ingezette traject van gefaseerde afbouw van de vestiging op basis van een gezamenlijk Strategisch Plan. De OR-leden vinden bovendien dat ze onvoldoende geïnformeerd zijn over de voorbereiding van een besluit dat afwijkt van de aangekondigde reorganisatie.
De Ondernemingskamer komt tot het oordeel dat het nodige heeft geschort aan de wijze waarop de ondernemer is omgegaan met haar mededelingsplicht, zoals bedoeld in art. 24, eerste lid, WOR. Maar dat wil niet zeggen dat het besluit tot sluiting daarmee onredelijk is. Beslissend is of het advies op een zodanig tijdstip is gevraagd dat dit nog van wezenlijke invloed kan zijn op het te nemen besluit. Dat is naar het oordeel van de Ondernemingskamer in deze situatie het geval. Het uiteindelijke besluit werd immers, gelet op de wensen van de ondernemingsraad, tussentijds aangepast. Volgens de Ondernemingskamer zijn er geen afspraken met de ondernemingsraad gemaakt die de bestuurder beletten het besluit tot stopzetting van de werkzaamheden te nemen. Dat het besluit afwijkt van het eerder ingezette reorganisatietraject kan op zichzelf niet leiden tot de conclusie dat het besluit niet genomen had mogen worden. Daarbij speelt volgens de Ondernemingskamer tevens een rol dat de ondernemingsraad in zijn advies nauwelijks op toelichting van het besluit is ingegaan.
Door het verzet tegen de sluiting in 2007 wilde de ondernemingsraad vooral tijd winnen. Met een gefaseerde afbouw van het personeel was er meer kans om nieuw werk te vinden. Op die manier hoopte de ondernemingsraad dat gedwongen ontslagen voorkomen konden worden. In de procedure richtte de ondernemingsraad zich dan ook met name op de gevolgen van het besluit tot sluiting en veel minder op de gronden die aan het besluit ten grondslag lagen. Tot een andere uitkomst zou dat vermoedelijk niet geleid hebben. In het algemeen geldt dat de ondernemingsraad aanzienlijk kansrijker is, wanneer zij door de bestuurder gemaakte procedurele fouten aan het licht brengt dan wanneer de gronden van een besluit ter discussie gesteld worden.
Door: Mr. Jan Hermes en mr. drs. P.M.T. Konings












